Belasting · 2026-09-11 · 6 minuten
De drie tariefgroepen na de vrijstelling
Na de vrijstelling gelden de tarieven in drie groepen. De Belastingdienst zet de grens van de eerste schijf op € 158.669 van het belaste bedrag, dus van wat boven de vrijstelling uitkomt. Partner en kinderen betalen over die schijf 10 procent en daarboven 20 procent. Kleinkinderen en verdere afstammelingen betalen 18 procent en daarboven 36 procent. Andere verkrijgers betalen 30 procent en daarboven 40 procent. Ook een pleegkind en een stiefkind horen bij de kinderen voor dit percentage. Een kind met een beperking blijft in diezelfde kindgroep als de hogere vrijstelling van toepassing is. De groep volgt de relatie, niet de grootte van het bedrag.
Een rekenvoorbeeld gebruikt alleen deze bedragen en deze percentages. Een kind ontvangt € 50.000. De vrijstelling voor een kind is € 26.230. Het belaste deel is € 50.000 min € 26.230. Dat is € 23.770. Dat bedrag ligt onder de schijfgrens van € 158.669. Daarom geldt alleen het lage tarief van de kindgroep. 10 procent van € 23.770 is € 2.377. De indicatie in dit voorbeeld is € 2.377. Er komt geen hoger percentage overheen, omdat het belaste deel de grens niet haalt. De som is aftrekken en daarna 10 procent nemen, niets meer.
Komt het belaste bedrag boven € 158.669 uit, dan splitst de berekening. Over het deel tot die grens geldt het lage percentage van de groep. Over het meerdere geldt het hoge percentage van dezelfde groep. Voor een partner of een kind zijn dat 10 en 20 procent. Voor een kleinkind of een verdere afstammeling zijn dat 18 en 36 procent. Voor een andere verkrijger zijn dat 30 en 40 procent. Een achterkleinkind heeft een vrijstelling van € 2.769, gelijk aan een andere erfgenaam. Het percentage is toch dat van de verdere afstammelingen, niet dat van de anderen. Eerst de vrijstelling, daarna de groep.
Ouders vallen niet in de groep van de kinderen. Erven beide ouders van hun kind, dan delen zij samen de vrijstelling van € 62.110. Zij krijgen niet ieder het volle bedrag. Het percentage voor ouders is dat van de andere verkrijgers: 30 procent, en 40 procent boven de schijf. Dat is een ander percentage dan 10 en 20 voor een kind. De indicatie in Ervazo past de tabel van 2026 toe op de verkrijging die je invoert. Klopt de groep niet, dan klopt het percentage niet. Zet de groep bij de persoon vast voordat je het scherm als gesprekspaper gebruikt.
Het voorbeeld van het kind met een verkrijging van € 50.000 is een som met de vrijstelling en het tarief van 2026. € 50.000 min € 26.230 is € 23.770, en 10 procent daarvan is € 2.377. Het is niet de belasting van een echt dossier. Schulden, een pensioen of een andere groep veranderen de verkrijging. De schijfgrens geldt voor het belaste deel na de vrijstelling. Dit stuk legt die rekenwijze uit en vult geen biljet in. Dit is geen juridisch advies en geen belastingadvies. Of de groep in een concrete familie klopt, beoordeel je met de stukken en met de Belastingdienst, niet met dit voorbeeld alleen.